stegel
zelfstandig naamwoord ˈsteɣəlBetekenis
- stijgbeugel
- bankje dat men kan gebruiken om over een hek heen te stappen
Hoe spreek je stegel uit?
/ˈstexəl/
Stegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stegels | meervoud |
Herkomst
erfwoord: Middelnederlands stēghel(e) v ‘gang, pad, steeg’, ontwikkeld uit Oergermaans *stigilō ‘overstap (om over een heining te komen)’, verkleinwoord bij *stigō- ‘steile weg’, waaruit steeg; verder zie aldaar. Evenzo Nederduits Stegel, Zuid-Duits Stiegel en Engels stile, alle ‘overstap’.
Woordfamilie van stegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stegels | meervoud | stegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stegel zijn vastgelegd.