zegel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈzexəl/Betekenis
- een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
- een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
Hoe spreek je zegel uit?
/ˈzexəl/
Zegel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zegels | meervoud |
| zegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegelen
- gebiedende wijs van zegelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegelen
Vervoeging van zegel
zegelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stempel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegels | meervoud | zegel |
| zegeltje | verkleinwoord | zegel |
| zegeltjes | verkleinwoord meervoud | zegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zegel zijn vastgelegd.