degel
zelfstandig naamwoord /'deɣəl/Betekenis
- rechthoekige plaat waarmee in een hoogdrukpers het papier tegen drukvorm wordt gedrukt om een afdruk te krijgen
- ketel, pot
- vlag
Hoe spreek je degel uit?
/ˈdexəl/
Degel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1,2] degels | meervoud |
| [3] degaliem | meervoud |
Herkomst
1.: van Latijn tegula "dakpan, dekplaat"
Woordfamilie van degel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| degaliem | meervoud | degel |
| degels | meervoud | degel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van degel zijn vastgelegd.