tandartsstoel
zelfstandig naamwoord ˈtɑndɑrtˌstulBetekenis
- een stoel gebruikt door de tandarts om op een min of meer comfortable manier aan tandzorg te doen
Hoe spreek je tandartsstoel uit?
/ˈtɑndɑrtˌstul/
Tandartsstoel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| r | rood |
| s | sok |
| u | boek |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een stoel gebruikt door de tandarts om op een min of meer comfortabele manier aan tandzorg te doen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tandartsstoelen | meervoud |
| tandartsstoeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tandartsstoeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van tandarts zn en stoel zn
Woordfamilie van tandartsstoel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tandartsstoelen | meervoud | tandartsstoel |
| tandartsstoeltje | verkleinwoord | tandartsstoel |
| tandartsstoeltjes | verkleinwoord meervoud | tandartsstoel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tandartsstoel zijn vastgelegd.