paffen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- tabak roken
- schieten
Vervoeging van paffen
paffenhele werkwoord — pafteverleden tijd enkelvoud — paftenverleden tijd meervoud — gepaftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | paf | pafte |
| jij | paft | pafte |
| hij, zij, het | paft | pafte |
| wij | paffen | paften |
| jullie | paffen | paften |
| zij | paffen | paften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepaft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepaft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepaft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepaft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepaft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepaft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepaft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepaft | verleden tijd, deelwoord |
| gepaft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepaft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepaft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepaft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepaft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepaft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| paf | gebiedende wijs |
| paffe | aanvoegende wijs |
| paffend | onvoltooid, deelwoord |
| pafte | verleden tijd |
| te hebben gepaft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te paffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen paffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepaft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt paffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen paffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepaft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult paffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord paf
Herkomst
In de betekenis van ‘hoorbaar tabak roken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1867
Woordfamilie van paffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepaft | voltooid deelwoord | paffen |
| paffend | onvoltooid deelwoord | paffen |
| paffende | woordvorm | paffen |
| paft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | paffen |
| pafte | verleden tijd | paffen |
| paften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | paffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paffen zijn vastgelegd.