verschieten
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈsxitə(n)Betekenis
- bleker worden
- door oningehouden schieten vertijdig opmaken
Hoe spreek je verschieten uit?
/vərˈsxitən/
Verschieten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| i | riet |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- angstig reageren op iets wat plotseling gebeurt ergative, figuratively
- door oningehouden schieten voortijdig opmaken transitive
Vervoeging van verschieten
verschietenhele werkwoord — verschootverleden tijd enkelvoud — verschotenverleden tijd meervoud — verschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschiet | verschoot |
| jij | verschiet | verschoot |
| hij, zij, het | verschiet | verschoot |
| wij | verschieten | verschoten |
| jullie | verschieten | verschoten |
| zij | verschieten | verschoten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verschoten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was verschoten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd verschoten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt verschoten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verschoten worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal verschoten zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou verschoten worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou verschoten zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben verschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn verschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verschieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschiet | gebiedende wijs |
| verschiete | aanvoegende wijs |
| verschietend | onvoltooid, deelwoord |
| verschoot | verleden tijd |
| verschoten | verleden tijd, deelwoord |
| verschoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verschoten te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verschoten zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verschieten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verschiet
Herkomst
afgeleid van schieten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verschiete | aanvoegende wijs | verschieten |
| verschietend | onvoltooid deelwoord | verschieten |
| verschietende | woordvorm | verschieten |
| verschoot | verleden tijd | verschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschieten zijn vastgelegd.