spatten
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈspɑtə(n)/Betekenis
- in kleine druppeltjes neervallen of uit elkaar bewegen
- kleine druppeltjes uit elkaar laten vliegen
- iets of iemand nat maken door er vocht heen te gooien of te trappen
Hoe spreek je spatten uit?
/ˈspɑtən/
Spatten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spatten
spattenhele werkwoord — spatteverleden tijd enkelvoud — gespatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spat | spatte |
| jij | spat | spatte |
| hij, zij, het | spat | spatte |
| wij | spatten | — |
| jullie | spatten | — |
| zij | spatten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gespat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespat | verleden tijd, deelwoord |
| gespat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spat | gebiedende wijs |
| spatte | verleden tijd |
| spatte | aanvoegende wijs |
| spattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van spatten
Vervoeging van spatten
spattenhele werkwoord — spatteverleden tijd enkelvoud — gespatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spat | spatte |
| jij | spat | spatte |
| hij, zij, het | spat | spatte |
| wij | spatten | — |
| jullie | spatten | — |
| zij | spatten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gespat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespat | verleden tijd, deelwoord |
| gespat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spat | gebiedende wijs |
| spatte | verleden tijd |
| spatte | aanvoegende wijs |
| spattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spat
Herkomst
In de betekenis van ‘in kleine deeltjes (doen) rondvliegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Woordfamilie van spatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespat | voltooid deelwoord | spatten |
| gespatte | woordvorm | spatten |
| spatte | verleden tijd | spatten |
| spattend | onvoltooid deelwoord | spatten |
| spattende | woordvorm | spatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spatten zijn vastgelegd.