rusten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrʏstə(n)Betekenis
- werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
Hoe spreek je rusten uit?
/ˈrʏstən/
Rusten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ʏ | put |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- rusten op: steunen op iets
- rusten op: stilstaan / niet bewegen
Vervoeging van rusten
rustenhele werkwoord — rustteverleden tijd enkelvoud — rusttenverleden tijd meervoud — gerustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rust | rustte |
| jij | rust | rustte |
| hij, zij, het | rust | rustte |
| wij | rusten | rustten |
| jullie | rusten | rustten |
| zij | rusten | rustten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerust | verleden tijd, deelwoord |
| gerust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rust | gebiedende wijs |
| ruste | aanvoegende wijs |
| rustend | onvoltooid, deelwoord |
| rustte | verleden tijd |
| te hebben gerust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rusten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rusten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rusten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rusten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rust
Herkomst
In de betekenis van ‘uitrusten, rust nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van rusten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rustte | verleden tijd | rusten |
| rustten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rusten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rusten zijn vastgelegd.