Naar de inhoud

optuigen

het voorzien van versierselen en andere toebehoren

optuigen

werkwoord

Betekenis

  1. het voorzien van versierselen en andere toebehoren
  2. het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting: masten, laadbomen, staand en lopend want, verlichting enz.
  3. het uitbreiden of het nieuw opzetten van een organisatie of bedrijf
  4. Een paard klaarmaken om een kar te trekken, of om bereden ter worden

Vervoeging van optuigen

optuigenhele werkwoord — tuigde opverleden tijd enkelvoud — tuigden opverleden tijd meervoud — opgetuigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tuig op tuigde op
jij tuigt op tuigde op
hij, zij, het tuigt op tuigde op
wij tuigen op tuigden op
jullie tuigen op tuigden op
zij tuigen op tuigden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgetuigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgetuigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgetuigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgetuigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgetuigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgetuigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgetuigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgetuigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgetuigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgetuigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgetuigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgetuigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgetuigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te tuigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen tuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal tuigen bijzin, toekomende tijd
op zou tuigen bijzin, voorwaardelijk
op zouden tuigen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt tuigen bijzin, voorwaardelijk
op zullen tuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen tuigen bijzin, toekomende tijd
op zult tuigen bijzin, toekomende tijd
opgetuigd verleden tijd, deelwoord
opgetuigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgetuigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgetuigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetuigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetuigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgetuigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgetuigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgetuigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgetuigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgetuigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
optuig bijzin, tegenwoordige tijd
optuigde bijzin, verleden tijd
optuigden bijzin, verleden tijd
optuigend onvoltooid, deelwoord
optuigt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgetuigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen optuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tuig op gebiedende wijs
tuigde op verleden tijd
waart opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgetuigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgetuigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgetuigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgetuigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgetuigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgetuigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgetuigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgetuigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal optuigen bijzin, toekomende tijd
zijn opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgetuigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou optuigen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) optuigen op zou(dt) tuigen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden optuigen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgetuigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgetuigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt optuigen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgetuigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgetuigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgetuigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgetuigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen optuigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen optuigen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen optuigen bijzin, toekomende tijd
zult opgetuigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en tuigen ww

Woordfamilie van optuigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgetuigd voltooid deelwoord optuigen
opgetuigde woordvorm optuigen
optuig subordinate-clause, tegenwoordige tijd optuigen
optuigde subordinate-clause, verleden tijd optuigen
optuigden subordinate-clause, verleden tijd optuigen
optuige with-subordinate-clause optuigen
optuigend onvoltooid deelwoord optuigen
optuigende woordvorm optuigen
optuigt subordinate-clause, tegenwoordige tijd optuigen
tuig op gebiedende wijs optuigen
tuigde op verleden tijd optuigen
tuigden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon optuigen
tuige op woordvorm optuigen
tuigen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon optuigen
tuigt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon optuigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van optuigen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over optuigen

Wat betekent optuigen?
Optuigen is een werkwoord. Het woord betekent: het voorzien van versierselen en andere toebehoren. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je optuigen?
Je vervoegt optuigen als volgt: het voltooid deelwoord is opgetuigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord optuigen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. T 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

optuigen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. T 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

optuigen in het kort

optuigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van optuigen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort optuigen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

optuigen: het voorzien van versierselen en andere toebehoren
Deel optuigen — standaardnederlands.nl