optuigen
werkwoordBetekenis
- het voorzien van versierselen en andere toebehoren
- het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting: masten, laadbomen, staand en lopend want, verlichting enz.
- het uitbreiden of het nieuw opzetten van een organisatie of bedrijf
- Een paard klaarmaken om een kar te trekken, of om bereden ter worden
Vervoeging van optuigen
optuigenhele werkwoord — tuigde opverleden tijd enkelvoud — tuigden opverleden tijd meervoud — opgetuigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tuig op | tuigde op |
| jij | tuigt op | tuigde op |
| hij, zij, het | tuigt op | tuigde op |
| wij | tuigen op | tuigden op |
| jullie | tuigen op | tuigden op |
| zij | tuigen op | tuigden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgetuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgetuigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgetuigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgetuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgetuigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgetuigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgetuigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgetuigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgetuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| opgetuigd | verleden tijd, deelwoord |
| opgetuigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgetuigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgetuigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgetuigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgetuigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgetuigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgetuigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgetuigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgetuigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgetuigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| optuig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| optuigde | bijzin, verleden tijd |
| optuigden | bijzin, verleden tijd |
| optuigend | onvoltooid, deelwoord |
| optuigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgetuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen optuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tuig op | gebiedende wijs |
| tuigde op | verleden tijd |
| waart opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal optuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou optuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) optuigen op zou(dt) tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden optuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt optuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen optuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen optuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen optuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en tuigen ww
Woordfamilie van optuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgetuigd | voltooid deelwoord | optuigen |
| opgetuigde | woordvorm | optuigen |
| optuig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | optuigen |
| optuigde | subordinate-clause, verleden tijd | optuigen |
| optuigden | subordinate-clause, verleden tijd | optuigen |
| optuige | with-subordinate-clause | optuigen |
| optuigend | onvoltooid deelwoord | optuigen |
| optuigende | woordvorm | optuigen |
| optuigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | optuigen |
| tuig op | gebiedende wijs | optuigen |
| tuigde op | verleden tijd | optuigen |
| tuigden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | optuigen |
| tuige op | woordvorm | optuigen |
| tuigen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | optuigen |
| tuigt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | optuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van optuigen zijn vastgelegd.