aftuigen
werkwoord ˈɑftœyɣə(n)Betekenis
- ontdoen van alle tuig
- versieringen verwijderen
- iemand een flinke afstraffing geven
- een paard ontdoen van getuig na het trekken van een kar, of na bereden te zijn
Hoe spreek je aftuigen uit?
/ˈɑftœyxən/
Aftuigen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| œy | huis |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aftuigen
aftuigenhele werkwoord — tuigde afverleden tijd enkelvoud — tuigden afverleden tijd meervoud — afgetuigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tuig af | tuigde af |
| jij | tuigt af | tuigde af |
| hij, zij, het | tuigt af | tuigde af |
| wij | tuigen af | tuigden af |
| jullie | tuigen af | tuigden af |
| zij | tuigen af | tuigden af |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen tuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult tuigen | bijzin, toekomende tijd |
| afgetuigd | verleden tijd, deelwoord |
| afgetuigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgetuigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgetuigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetuigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetuigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetuigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgetuigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgetuigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgetuigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgetuigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftuig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftuigde | bijzin, verleden tijd |
| aftuigden | bijzin, verleden tijd |
| aftuigend | onvoltooid, deelwoord |
| aftuigt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgetuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgetuigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgetuigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgetuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgetuigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgetuigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgetuigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgetuigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgetuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tuig af | gebiedende wijs |
| tuigde af | verleden tijd |
| waart afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgetuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgetuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgetuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgetuigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgetuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftuigen af zou(dt) tuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgetuigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftuigen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgetuigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetuigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftuigen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftuigen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgetuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘afranselen’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Woordfamilie van aftuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetuigd | voltooid deelwoord | aftuigen |
| afgetuigde | woordvorm | aftuigen |
| aftuig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftuigen |
| aftuigde | subordinate-clause, verleden tijd | aftuigen |
| aftuigden | subordinate-clause, verleden tijd | aftuigen |
| aftuige | with-subordinate-clause | aftuigen |
| aftuigend | onvoltooid deelwoord | aftuigen |
| aftuigende | woordvorm | aftuigen |
| aftuigt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftuigen |
| tuig af | gebiedende wijs | aftuigen |
| tuigde af | verleden tijd | aftuigen |
| tuigden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftuigen |
| tuige af | woordvorm | aftuigen |
| tuigen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftuigen |
| tuigt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftuigen zijn vastgelegd.