uitspannen
werkwoordBetekenis
- (van trekdieren) uit het gareel losmaken
- groter maken
werkwoord
- uit het gareel losmaken transitive
Vervoeging van uitspannen
uitspannenhele werkwoord — spande uitverleden tijd enkelvoud — spanden uitverleden tijd meervoud — uitgespannenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | span uit | spande uit |
| jij | spant uit | spande uit |
| hij, zij, het | spant uit | spande uit |
| wij | spannen uit | spanden uit |
| jullie | spannen uit | spanden uit |
| zij | spannen uit | spanden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgespannen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgespannen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgespannen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgespannen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespannen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgespannen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgespannen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgespannen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespannen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| span uit | gebiedende wijs |
| spande uit | verleden tijd |
| te hebben uitgespannen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spannen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spannen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spannen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spannen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgespannen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgespannen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespannen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgespannen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespannen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespannen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgespannen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespannen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgespannen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespannen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgespannen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitspan | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspande | bijzin, verleden tijd |
| uitspanden | bijzin, verleden tijd |
| uitspannend | onvoltooid, deelwoord |
| uitspant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgespannen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgespannen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgespannen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspannen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspannen uit zou(dt) spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgespannen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgespannen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgespannen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgespannen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgespannen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitspannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitspannen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en spannen
Woordfamilie van uitspannen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| span uit | gebiedende wijs | uitspannen |
| spande uit | verleden tijd | uitspannen |
| spanden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitspannen |
| spanne uit | woordvorm | uitspannen |
| spannen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitspannen |
| spant uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitspannen |
| uitgespannen | voltooid deelwoord | uitspannen |
| uitspan | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspannen |
| uitspande | subordinate-clause, verleden tijd | uitspannen |
| uitspanden | subordinate-clause, verleden tijd | uitspannen |
| uitspanne | with-subordinate-clause | uitspannen |
| uitspannend | onvoltooid deelwoord | uitspannen |
| uitspannende | woordvorm | uitspannen |
| uitspant | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspannen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspannen zijn vastgelegd.