bedrijf
zelfstandig naamwoord, werkwoord bəˈdrɛifBetekenis
- organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
- een economische eenheid, gericht op het maken van winst
- een zelfstandige rechtsvorm met winst oogmerk
- het in werking zijn van iets
- een deel van een toneelstuk
Hoe spreek je bedrijf uit?
/bəˈdrɛif/
Bedrijf bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| d | dak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een zelfstandige rechtsvorm met winstoogmerk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bedrijfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bedrijfjes | verkleinwoord, meervoud |
| bedrijven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedrijven
- gebiedende wijs van bedrijven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedrijven
Vervoeging van bedrijf
bedrijfhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘beroepswerkzaamheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1293
Woordfamilie van bedrijf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bedrijfje | verkleinwoord | bedrijf |
| bedrijfjes | verkleinwoord meervoud | bedrijf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bedrijf zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- bedrijfs-pc-netwerk
- bedrijfsactiviteit
- bedrijfsadministratie
- bedrijfsadviseur
- bedrijfsadvocaat
- bedrijfsanalyse
- bedrijfsarts
- bedrijfsauto
- bedrijfsbelasting
- bedrijfsbeleid
- bedrijfsbezoek
- bedrijfsblindheid
- bedrijfsbrand
- bedrijfscultuur
- bedrijfseconomie
- bedrijfseconomisch
- bedrijfseconoom
- bedrijfsevenement
- bedrijfsgeheim
- bedrijfsidee
- bedrijfsjurist
- bedrijfsklaar
- bedrijfskleding
- bedrijfskunde