ogen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈoɣə(n)Betekenis
- de aanblik hebben van
- aandachtig kijken naar, staren naar
Hoe spreek je ogen uit?
/ˈoxən/
Ogen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ogen
ogenhele werkwoord — oogdeverleden tijd enkelvoud — oogdenverleden tijd meervoud — geoogdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oog | oogde |
| jij | oogt | oogde |
| hij, zij, het | oogt | oogde |
| wij | ogen | oogden |
| jullie | ogen | oogden |
| zij | ogen | oogden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geoogd | verleden tijd, deelwoord |
| geoogd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoogd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geoogd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geoogd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geoogd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoogd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oge | aanvoegende wijs |
| ogend | onvoltooid, deelwoord |
| oog | gebiedende wijs |
| oogde | verleden tijd |
| te hebben geoogd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ogen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geoogd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ogen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ogen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geoogd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ogen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oog
Herkomst
ww: afgeleid van oog zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ogen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geoogd | voltooid deelwoord | ogen |
| oge | aanvoegende wijs | ogen |
| ogend | onvoltooid deelwoord | ogen |
| oogde | verleden tijd | ogen |
| oogden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ogen |
| oogen | woordvorm | ogen |
| oogt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ogen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ogen zijn vastgelegd.