oogappel
zelfstandig naamwoord ˈoxɑpəlBetekenis
- ronde en gekleurde deel van het regenboogvlies dat naar buiten zichtbaar is
- oogbol
- een waardevol bezit
Hoe spreek je oogappel uit?
/ˈoxɑpəl/
Oogappel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oogappels | meervoud |
| oogappeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oogappeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands ogeappel, op te vatten als samenstelling van oog zn en appel zn **[3] een verwijzing naar de Bijbel, Psalm 17:8 en Zacharias 2:8, in de betekenis van ‘lieveling’ voor het eerst aangetroffen in 1637
Woordfamilie van oogappel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oogappels | meervoud | oogappel |
| oogappeltje | verkleinwoord | oogappel |
| oogappeltjes | verkleinwoord meervoud | oogappel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oogappel zijn vastgelegd.