ontzien
werkwoord ɔntˈsinBetekenis
- het iemand gemakkelijker maken dan die persoon het anders zou hebben gehad door die persoon minder te belasten
Hoe spreek je ontzien uit?
/ɔntˈsin/
Ontzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontzien
ontzienhele werkwoord — ontzagverleden tijd enkelvoud — ontzagenverleden tijd meervoud — ontzienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzie | ontzag |
| jij | ontziet | ontzaagt |
| hij, zij, het | ontziet | ontzag |
| wij | ontzien | ontzagen |
| jullie | ontzien | ontzagen |
| zij | ontzien | ontzagen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzag | verleden tijd |
| ontzie | gebiedende wijs |
| ontzie | aanvoegende wijs |
| ontzien | verleden tijd, deelwoord |
| ontzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontziend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontzien
Vervoeging van ontzien
ontzienhele werkwoord — ontzagverleden tijd enkelvoud — ontzagenverleden tijd meervoud — ontzienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzie | ontzag |
| jij | ontziet | ontzaagt |
| hij, zij, het | ontziet | ontzag |
| wij | ontzien | ontzagen |
| jullie | ontzien | ontzagen |
| zij | ontzien | ontzagen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzag | verleden tijd |
| ontzie | gebiedende wijs |
| ontzie | aanvoegende wijs |
| ontzien | verleden tijd, deelwoord |
| ontzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontziend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘sparen’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van ontzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontzagen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzien |
| ontzie | gebiedende wijs | ontzien |
| ontziend | onvoltooid deelwoord | ontzien |
| ontziende | woordvorm | ontzien |
| ontziene | woordvorm | ontzien |
| ontziet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzien zijn vastgelegd.