ontzielen
werkwoordBetekenis
- van zijn ziel beroven
Vervoeging van ontzielen
ontzielenhele werkwoord — ontzieldeverleden tijd enkelvoud — ontzieldenverleden tijd meervoud — ontzieldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontziel | ontzielde |
| jij | ontzielt | ontzielde |
| hij, zij, het | ontzielt | ontzielde |
| wij | ontzielen | ontzielden |
| jullie | ontzielen | ontzielden |
| zij | ontzielen | ontzielden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzield | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzield | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzield | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzield | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzield | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzield | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontziel | gebiedende wijs |
| ontzield | verleden tijd, deelwoord |
| ontzield te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzield zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzielde | verleden tijd |
| ontziele | aanvoegende wijs |
| ontzielend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontzield | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzielen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzielen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontzield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzielen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontzield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontzielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van ziel met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontzielen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontziel | gebiedende wijs | ontzielen |
| ontzielden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzielen |
| ontziele | aanvoegende wijs | ontzielen |
| ontzielend | onvoltooid deelwoord | ontzielen |
| ontzielende | woordvorm | ontzielen |
| ontzielt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontzielen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzielen zijn vastgelegd.