ontzilten
werkwoordBetekenis
- van opgelost zout ontdoen, ontzouten
- het zout verliezen
Vervoeging van ontzilten
ontziltenhele werkwoord — ontziltteverleden tijd enkelvoud — ontzilttenverleden tijd meervoud — ontziltvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzilt | ontziltte |
| jij | ontzilt | ontziltte |
| hij, zij, het | ontzilt | ontziltte |
| wij | ontzilten | ontziltten |
| jullie | ontzilten | ontziltten |
| zij | ontzilten | ontziltten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ontzilt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontzilt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontzilt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontzilt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontzilt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontzilt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontzilt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontzilt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontzilt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontzilt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontzilt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontzilt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontzilt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontzilt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontzilt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzilt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzilt | gebiedende wijs |
| ontzilt | verleden tijd, deelwoord |
| ontzilt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzilt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontzilt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzilt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzilt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzilt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzilt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontzilt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzilt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzilt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontzilte | aanvoegende wijs |
| ontziltend | onvoltooid, deelwoord |
| ontziltte | verleden tijd |
| te hebben ontzilt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontzilten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzilten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren ontzilt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontzilt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontzilt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ontzilt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ontzilt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontzilt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzilt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontzilt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontzilt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzilt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontzilt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzilt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzilt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontzilt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzilt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzilt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontzilten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontzilt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontzilten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zilt met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontzilten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontzilt | voltooid deelwoord | ontzilten |
| ontzilte | aanvoegende wijs | ontzilten |
| ontziltend | onvoltooid deelwoord | ontzilten |
| ontziltende | woordvorm | ontzilten |
| ontziltte | verleden tijd | ontzilten |
| ontziltten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontzilten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzilten zijn vastgelegd.