overzien
werkwoord ˌovərˈzinBetekenis
- alles tegelijk kunnen zien
- met het oog doorlopen
Hoe spreek je overzien uit?
/ˌovərˈzin/
Overzien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| i | riet |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van overzien
overzienhele werkwoord — overzagverleden tijd enkelvoud — overzagenverleden tijd meervoud — overgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overzie | overzag |
| jij | overziet | overzaagt |
| hij, zij, het | overziet | overzag |
| wij | zien over | overzagen |
| jullie | zien over | overzagen |
| zij | zien over | overzagen |
Alle 266 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was overzien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd overzien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal overzien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overzien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou overzien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overzien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| overgezien | verleden tijd, deelwoord |
| overgezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzaagt | bijzin, verleden tijd |
| overzag | verleden tijd |
| overzag | bijzin, verleden tijd |
| overzagen | bijzin, verleden tijd |
| overzie | gebiedende wijs |
| overzie | aanvoegende wijs |
| overzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overzien | verleden tijd, deelwoord |
| overzien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overziend | onvoltooid, deelwoord |
| overziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werdt overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| word overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
Vervoeging van overzien
overzienhele werkwoord — overzagverleden tijd enkelvoud — overzagenverleden tijd meervoud — overgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overzie | overzag |
| jij | overziet | overzaagt |
| hij, zij, het | overziet | overzag |
| wij | zien over | overzagen |
| jullie | zien over | overzagen |
| zij | zien over | overzagen |
Alle 265 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was overzien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd overzien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal overzien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overzien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou overzien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overzien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| overgezien | verleden tijd, deelwoord |
| overgezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzaagt | bijzin, verleden tijd |
| overzag | bijzin, verleden tijd |
| overzagen | bijzin, verleden tijd |
| overzie | gebiedende wijs |
| overzie | aanvoegende wijs |
| overzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overzien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overziend | onvoltooid, deelwoord |
| overziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werdt overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| word overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag over | verleden tijd |
| zal overgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van overzien
Vervoeging van overzien
overzienhele werkwoord — overzagverleden tijd enkelvoud — overzagenverleden tijd meervoud — overgezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overzie | overzag |
| jij | overziet | overzaagt |
| hij, zij, het | overziet | overzag |
| wij | zien over | overzagen |
| jullie | zien over | overzagen |
| zij | zien over | overzagen |
Alle 265 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| ben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was overzien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd overzien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt overzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal overzien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overzien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou overzien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overzien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zou zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt zien | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen zien | bijzin, toekomende tijd |
| over zult zien | bijzin, toekomende tijd |
| overgezien | verleden tijd, deelwoord |
| overgezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzaagt | bijzin, verleden tijd |
| overzag | bijzin, verleden tijd |
| overzagen | bijzin, verleden tijd |
| overzie | gebiedende wijs |
| overzie | aanvoegende wijs |
| overzie | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overzien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overzien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overzien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overziend | onvoltooid, deelwoord |
| overziet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben overgezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben overzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waart overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werdt overzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| word overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag over | verleden tijd |
| zal overgezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van over en zien
Woordfamilie van overzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgezien | voltooid deelwoord | overzien |
| overgeziene | woordvorm | overzien |
| overzag | verleden tijd | overzien |
| overzagen | subordinate-clause, verleden tijd | overzien |
| overzie | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overzien |
| overziend | onvoltooid deelwoord | overzien |
| overziende | woordvorm | overzien |
| overziene | woordvorm | overzien |
| overziet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overzien |
| zag over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | overzien |
| zagen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overzien |
| zie over | gebiedende wijs | overzien |
| zien over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overzien |
| ziet over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overzien zijn vastgelegd.