zien
werkwoord zinBetekenis
- waarnemen met het oog
- het vermogen hebben om met het oog waar te nemen
- een bepaald gezicht trekken, eruitzien als, de indruk geven van
- ergens een mening over hebben
- zich + volt. deelwoord + ~: maakt een wederkerende constructie
- zijn, z'n
Hoe spreek je zien uit?
/zin/
Zien bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| i | riet |
| n | nek |
werkwoord
- proberen, moeite doen
- beschouwen
Vervoeging van zien
zienhele werkwoord — zagverleden tijd enkelvoud — zagenverleden tijd meervoud — gezienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zie | zag |
| jij | ziet | zaagt |
| hij, zij, het | ziet | zag |
| wij | zien | zagen |
| jullie | zien | zagen |
| zij | zien | zagen |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezien | verleden tijd, deelwoord |
| gezien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zag | verleden tijd |
| zag je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zag me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zag u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zag u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zag zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| zag zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zag zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zagen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| zagen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| zagen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me zien | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich zien | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal, zult je zien | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gezien hebben | verleden tijd |
| zich ziend | onvoltooid, deelwoord |
| zie | gebiedende wijs |
| zie | aanvoegende wijs |
| zie me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| zie u/je , ziet je | gebiedende wijs |
| zie zich | aanvoegende wijs |
| zien je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zien ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zien zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ziend | onvoltooid, deelwoord |
| ziet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ziet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ziet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ziet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ziet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ziet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zijn gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met het oog waarnemen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Woordfamilie van zien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zag | verleden tijd | zien |
| zie | gebiedende wijs | zien |
| ziet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zien zijn vastgelegd.