voorzien
werkwoord /vɔːr.'zin/Betekenis
- een profetische blik hebben
- van: aanwezig zijn; tot iemands beschikking hebben
- bedekken, bekleden met iets
- leveren
Hoe spreek je voorzien uit?
/vɔrˈzin/
Voorzien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| z | zon |
| i | riet |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- herkennen als toekomstige ontwikkeling, zien aankomen transitive
- beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor transitive
- ~ van: de beschikking geven over, als onderdeel aanvullen met transitive
- ~ in: beschikbaar maken, voldoen aan transitive
- ~ op: gereedmaken voor, voorbereiden op transitive
Vervoeging van voorzien
voorzienhele werkwoord — voorzagverleden tijd enkelvoud — voorzagenverleden tijd meervoud — voorzienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voorzie | voorzag |
| jij | voorziet | voorzaagt |
| hij, zij, het | voorziet | voorzag |
| wij | voorzien | voorzagen |
| jullie | voorzien | voorzagen |
| zij | voorzien | voorzagen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorzien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorzien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorzien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorzien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorzien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorzien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzag | verleden tijd |
| voorzie | gebiedende wijs |
| voorzie | aanvoegende wijs |
| voorzien | verleden tijd, deelwoord |
| voorzien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorzien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorzien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorzien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorzien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorziend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van voorzien
Vervoeging van voorzien
voorzienhele werkwoord — voorzagverleden tijd enkelvoud — voorzagenverleden tijd meervoud — voorzienvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voorzie | voorzag |
| jij | voorziet | voorzaagt |
| hij, zij, het | voorziet | voorzag |
| wij | voorzien | voorzagen |
| jullie | voorzien | voorzagen |
| zij | voorzien | voorzagen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorzien | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorzien | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorzien | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorzien worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorzien zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorzien worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorzien zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorzien | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzag | verleden tijd |
| voorzie | gebiedende wijs |
| voorzie | aanvoegende wijs |
| voorzien | verleden tijd, deelwoord |
| voorzien te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorzien te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorzien worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorzien zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorzien zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorzien zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorzien zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorziend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorzien | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorzien | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorzien | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorzien hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorzien zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorzien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorzien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorzien hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorzien worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorzien zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor bw en zien ww **[2], [5] onder invloed van Frans prévoir ww op veel manieren gebruikt in het Belgisch-Nederlands
Woordfamilie van voorzien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorzag | verleden tijd | voorzien |
| voorzagen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorzien |
| voorzie | gebiedende wijs | voorzien |
| voorziend | onvoltooid deelwoord | voorzien |
| voorziende | woordvorm | voorzien |
| voorziene | woordvorm | voorzien |
| voorziet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorzien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorzien zijn vastgelegd.