halzen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- om de hals vallen
werkwoord
- inslikken, opzwelgen, verzwelgen transitive
- een schip over een andere boeg wenden intransitive
- zich inspannen, moeite doen voor iets intransitive
Vervoeging van halzen
halzenhele werkwoord — halsdeverleden tijd enkelvoud — halsdenverleden tijd meervoud — gehalsdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hals | halsde |
| jij | halst | halsde |
| hij, zij, het | halst | halsde |
| wij | halzen | halsden |
| jullie | halzen | halsden |
| zij | halzen | halsden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehalsd | verleden tijd, deelwoord |
| gehalsd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehalsd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehalsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehalsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehalsd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehalsd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehalsd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hals | gebiedende wijs |
| halsde | verleden tijd |
| halze | aanvoegende wijs |
| halzend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehalsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehalsd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te halzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehalsd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen halzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehalsd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt halzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen halzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehalsd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult halzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hals
Herkomst
afgeleid van hals met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van halzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehalsd | voltooid deelwoord | halzen |
| gehalsde | woordvorm | halzen |
| halsde | verleden tijd | halzen |
| halsden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | halzen |
| halst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | halzen |
| halze | aanvoegende wijs | halzen |
| halzend | onvoltooid deelwoord | halzen |
| halzende | woordvorm | halzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halzen zijn vastgelegd.