grens
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣrɛnsBetekenis
- een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
- de raaklijn tussen twee landen
- uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
Hoe spreek je grens uit?
/xrɛns/
Grens bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grensje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grensjes | verkleinwoord, meervoud |
| grenzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
- gebiedende wijs van grenzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
Vervoeging van grens
grenshele werkwoord
Herkomst
In de 12e of 13e eeuw ontleend aan het Nederduitse grenitse/grentse/grense, wat verder valt te herleiden tot het Oudpoolse granitsa (Pools: granica).
Woordfamilie van grens
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grensje | verkleinwoord | grens |
| grensjes | verkleinwoord meervoud | grens |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grens zijn vastgelegd.