trens
zelfstandig naamwoord, werkwoord trɛnsBetekenis
- een sloot, met name een die de grens tussen twee plantages markeert
- een verstevigd oog, knoopsgat of rand van een stuk weefsel
- een eenvoudig soort bit bestaande uit twee ringen en een verbindingsstuk.
- boogschieten de extra omwikkeling van de pees van een boog waar de pijl genokt wordt
Hoe spreek je trens uit?
/trɛns/
Trens bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- sloot, met name een die de grens tussen twee plantages markeert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trensen | enkelvoud |
| trensje | verkleinwoord |
| trensjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| trenzen | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- verstevigd oog, knoopsgat of rand van een stuk weefsel
- de extra omwikkeling van de pees van een boog waar de pijl genokt wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trensje | verkleinwoord |
| trensjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| trenzen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trenzen
- gebiedende wijs van trenzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trenzen
Vervoeging van trens
trenshele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] trens | canonical |
Woordfamilie van trens
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trensen | enkelvoud | trens |
| trensje | verkleinwoord | trens |
| trensjes | verkleinwoord | trens |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trens zijn vastgelegd.