flens
zelfstandig naamwoord, werkwoord flɛnsBetekenis
- een opstaande en vaak vlakke rand of kraag, bijvoorbeeld aan het uiteinde van een buis of pijp om een lekdichte verbinding met een andere pijp of een afdichting mogelijk te maken
- dunne pannenkoek
Hoe spreek je flens uit?
/flɛns/
Flens bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| flensje | verkleinwoord, enkelvoud |
| flensjes | verkleinwoord, meervoud |
| flenzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
- gebiedende wijs van flenzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flenzen
Vervoeging van flens
flenshele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
- gebiedende wijs van flensen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flensen
Vervoeging van flens
flenshele werkwoord
Herkomst
werkwoord: van Engels flange, dat via het Frans flanche op zijn beurt een Germaanse oorsprong heeft (vgl. flank); in de betekenis van ‘opstaande rand’ voor het eerst aangetroffen in 1872
werkwoord: wellicht naamwoord van handeling van flensen ww , verwant met flinter
Woordfamilie van flens
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flensjes | verkleinwoord meervoud | flens |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flens zijn vastgelegd.