lens
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord lɛnsBetekenis
- een stelsel van lenzen(1) of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
- een zeer kleine glazen of kunststof lens(1) die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril.
- deel van het oog dat de lichtstralen breekt
- pen, spie
- lek, lam
- leeg
- contactlens
- linze
- neet
Hoe spreek je lens uit?
/lɛns/
Lens bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
- een langgerekt wapen waarmee walvissen doorstoken werden obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lensje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lensjes | verkleinwoord, meervoud |
| lenzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lensen
- gebiedende wijs van lensen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lensen
Vervoeging van lens
lenshele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenzen
- gebiedende wijs van lenzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lenzen
Vervoeging van lens
lenshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘slap, krachteloos’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Woordfamilie van lens
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lensje | verkleinwoord | lens |
| lensjes | verkleinwoord meervoud | lens |
| lenzer | woordvorm | lens |
| lenzere | woordvorm | lens |
| lenzers | woordvorm | lens |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lens zijn vastgelegd.