bitch
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɪtʃBetekenis
- vrouw
- agressieve vrouw
- (als geuzennaam) zelfbewuste vrouw
- lastig probleem, vervelende situatie
- teef; vrouwtje van bepaalde diersoorten met name honden
- promiscue vrouw, slet
- teef, denigrerende aanduiding voor een onaangename vrouw
- vrouw (in het algemeen)
- man die zich vrouwelijk gedraagt of opstelt
- iets vervelends, kut
- zich als een onaangename vrouw opstellen
- voortdurend (kwaadaardig) zeuren, klagen over onbeduidende zaken
- bederven, kapotmaken
Hoe spreek je bitch uit?
/bɪtʃ/
Bitch bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
zelfstandig naamwoord
- zelfbewuste vrouw
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bitches | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitchen
- gebiedende wijs van bitchen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitchen
Vervoeging van bitch
bitchhele werkwoord
Herkomst
van Engels bitch
Woordfamilie van bitch
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bitches | meervoud | bitch |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bitch zijn vastgelegd.