bits
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɪts/Betekenis
- kortaf en scherp, boos, onvriendelijk
Hoe spreek je bits uit?
/bɪts/
Bits bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bitse | verbogen, stellende trap |
| bitser | onverbogen, vergrotende trap |
| bitsere | verbogen, vergrotende trap |
| bitsers | partitief, vergrotende trap |
| bitst | onverbogen, overtreffende trap |
| bitste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bit
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitsen
- gebiedende wijs van bitsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitsen
Vervoeging van bits
bitshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vinnig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1617
Woordfamilie van bits
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bitser | vergrotende trap | bits |
| bitsere | verbogen vergrotende trap | bits |
| bitsers | partitieve vergrotende trap | bits |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bits zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
Verwante woorden
- bitten