bissen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɪsə(n)Betekenis
- een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
Hoe spreek je bissen uit?
/ˈbɪsən/
Bissen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bissen
bissenhele werkwoord — bisteverleden tijd enkelvoud — bistenverleden tijd meervoud — gebistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bis | biste |
| jij | bist | biste |
| hij, zij, het | bist | biste |
| wij | bissen | bisten |
| jullie | bissen | bisten |
| zij | bissen | bisten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bis | gebiedende wijs |
| bisse | aanvoegende wijs |
| bissend | onvoltooid, deelwoord |
| biste | verleden tijd |
| er is gebist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebist | verleden tijd, deelwoord |
| gebist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bis
Herkomst
van bis en Latijn bis "tweemaal"
Woordfamilie van bissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bisse | aanvoegende wijs | bissen |
| bissend | onvoltooid deelwoord | bissen |
| bissende | woordvorm | bissen |
| biste | verleden tijd | bissen |
| bisten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bissen |
| gebist | voltooid deelwoord | bissen |
| gebiste | woordvorm | bissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bissen zijn vastgelegd.