pissen
werkwoord ˈpɪsə(n)Betekenis
- vloeibare afvalstoffen lozen via de urinebuis
Hoe spreek je pissen uit?
/ˈpɪsən/
Pissen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen via de urinebuis informal, unergative
Vervoeging van pissen
pissenhele werkwoord — pisteverleden tijd enkelvoud — pistenverleden tijd meervoud — gepistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pis | piste |
| jij | pist | piste |
| hij, zij, het | pist | piste |
| wij | pissen | pisten |
| jullie | pissen | pisten |
| zij | pissen | pisten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepist | verleden tijd, deelwoord |
| gepist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pis | gebiedende wijs |
| pisse | aanvoegende wijs |
| pissend | onvoltooid, deelwoord |
| piste | verleden tijd |
| te hebben gepist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Vermoedelijk van Oudfrans pissier ‘urineren’ < Latijn pissiare. Van oudsher waarschijnlijk klanknabootsend. In de betekenis van ‘urineren’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van pissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepist | voltooid deelwoord | pissen |
| pisse | aanvoegende wijs | pissen |
| pissend | onvoltooid deelwoord | pissen |
| pissende | woordvorm | pissen |
| pist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pissen zijn vastgelegd.