grissen
werkwoord ˈɣrɪsə(n)Betekenis
- snel naar iets grijpen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je grissen uit?
/ˈxrɪsən/
Grissen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van grissen
grissenhele werkwoord — gristeverleden tijd enkelvoud — gristenverleden tijd meervoud — gegristvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gris | griste |
| jij | grist | griste |
| hij, zij, het | grist | griste |
| wij | grissen | gristen |
| jullie | grissen | gristen |
| zij | grissen | gristen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegrist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegrist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegrist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegrist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegrist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegrist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrist | verleden tijd, deelwoord |
| gegrist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gris | gebiedende wijs |
| grisse | aanvoegende wijs |
| grissend | onvoltooid, deelwoord |
| griste | verleden tijd |
| had gegrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘snel naar zich toe halen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1810
Woordfamilie van grissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrist | voltooid deelwoord | grissen |
| gegriste | woordvorm | grissen |
| gris | gebiedende wijs | grissen |
| grisse | aanvoegende wijs | grissen |
| grissend | onvoltooid deelwoord | grissen |
| grissende | woordvorm | grissen |
| grist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grissen |
| griste | verleden tijd | grissen |
| gristen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grissen zijn vastgelegd.