beslissen
werkwoord bəˈslɪsə(n)Betekenis
- vaststellen wat er gaat gebeuren; kiezen tussen verschillende mogelijkheden
- het verschil uitmaken
Hoe spreek je beslissen uit?
/bəˈslɪsən/
Beslissen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| l | land |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- vaststellen wat er gaat gebeuren transitive
- kiezen tussen verschillende mogelijkheden
Vervoeging van beslissen
beslissenhele werkwoord — beslisteverleden tijd enkelvoud — beslistenverleden tijd meervoud — beslistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beslis | besliste |
| jij | beslist | besliste |
| hij, zij, het | beslist | besliste |
| wij | beslissen | beslisten |
| jullie | beslissen | beslisten |
| zij | beslissen | beslisten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beslis | gebiedende wijs |
| beslisse | aanvoegende wijs |
| beslissend | onvoltooid, deelwoord |
| beslist | verleden tijd, deelwoord |
| beslist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beslist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| besliste | verleden tijd |
| er is beslist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beslist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beslist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beslist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beslist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beslist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beslist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beslist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beslist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beslist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beslist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beslist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beslist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beslist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beslist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt beslist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beslissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beslissen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult beslist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘besluiten’ voor het eerst aangetroffen in 1550
Woordfamilie van beslissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beslis | gebiedende wijs | beslissen |
| beslisse | aanvoegende wijs | beslissen |
| beslisten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beslissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beslissen zijn vastgelegd.