binden
werkwoord ˈbɪndə(n)Betekenis
- vastmaken (evt. figuurlijk), bevestigen
- iets om iets anders leggen
- dikker maken van een saus meestal door bloem
- niet meer helemaal vrij zijn
- vastmaken
Hoe spreek je binden uit?
/ˈbɪndən/
Binden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van binden
bindenhele werkwoord — bondverleden tijd enkelvoud — bondenverleden tijd meervoud — gebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind | bond |
| jij | bindt | bond |
| hij, zij, het | bindt | bond |
| wij | binden | bonden |
| jullie | binden | bonden |
| zij | binden | bonden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bind | gebiedende wijs |
| binde | aanvoegende wijs |
| bindend | onvoltooid, deelwoord |
| bond | verleden tijd |
| er is gebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebonden | verleden tijd, deelwoord |
| gebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt binden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult binden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met touw vastmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van binden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bind | gebiedende wijs | binden |
| binde | aanvoegende wijs | binden |
| bindt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | binden |
| bondt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | binden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van binden zijn vastgelegd.