winden
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈʋɪndə(n)/Betekenis
- een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
- wikkelen
Hoe spreek je winden uit?
/ˈwɪndən/
Winden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van winden
windenhele werkwoord — wondverleden tijd enkelvoud — wondenverleden tijd meervoud — gewondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wind | wond |
| jij | windt | wond |
| hij, zij, het | windt | wond |
| wij | winden | wonden |
| jullie | winden | wonden |
| zij | winden | wonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewonden | verleden tijd, deelwoord |
| gewonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te winden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen winden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wind | gebiedende wijs |
| winde | aanvoegende wijs |
| windend | onvoltooid, deelwoord |
| wond | verleden tijd |
| word gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt winden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen winden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult winden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wind
- meervoud van het zelfstandig naamwoord winde
Herkomst
In de betekenis van ‘wikkelen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van winden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| windend | onvoltooid deelwoord | winden |
| windende | woordvorm | winden |
| windt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | winden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van winden zijn vastgelegd.