plaatsvinden
werkwoord /platsˈvɪndə(n)/Betekenis
- gebeuren, geschieden, plaatshebben
Hoe spreek je plaatsvinden uit?
/platsˈvɪndən/
Plaatsvinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| s | sok |
| v | vis |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- gebeuren, geschieden, plaatshebben, plaatsgrijpen, voltrekken, voorvallen absolute
Vervoeging van plaatsvinden
plaatsvindenhele werkwoord — vond plaatsverleden tijd enkelvoud — vonden plaatsverleden tijd meervoud — plaatsgevondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vind plaats | vond plaats |
| jij | vindt plaats | vond plaats |
| hij, zij, het | vindt plaats | vond plaats |
| wij | vinden plaats | vonden plaats |
| jullie | vinden plaats | vonden plaats |
| zij | vinden plaats | vonden plaats |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt plaatsgevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgevonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft plaatsgevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plaats te vinden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| plaats te zullen vinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaats zal vinden | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zou vinden | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zouden vinden | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zoudt vinden | bijzin, voorwaardelijk |
| plaats zullen vinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaats zullen vinden | bijzin, toekomende tijd |
| plaats zult vinden | bijzin, toekomende tijd |
| plaatsgevonden | verleden tijd, deelwoord |
| plaatsgevonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| plaatsgevonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| plaatsvind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatsvindend | onvoltooid, deelwoord |
| plaatsvindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| plaatsvond | bijzin, verleden tijd |
| plaatsvonden | bijzin, verleden tijd |
| plaatsvondt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben plaatsgevonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plaatsvinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vind plaats | gebiedende wijs |
| vond plaats | verleden tijd |
| zal plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal plaatsvinden | bijzin, toekomende tijd |
| zou plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou plaatsvinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) plaatsvinden plaats zou(dt) vinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden plaatsvinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt plaatsgevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt plaatsvinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plaatsvinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen plaatsvinden | bijzin, toekomende tijd |
| zult plaatsgevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plaatsvinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult plaatsvinden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal plaatsvinden plaats zult/zal vinden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van plaats en vinden
Woordfamilie van plaatsvinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plaatsgevonden | voltooid deelwoord | plaatsvinden |
| plaatsvind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatsvinden |
| plaatsvinde | with-subordinate-clause | plaatsvinden |
| plaatsvindend | onvoltooid deelwoord | plaatsvinden |
| plaatsvindende | woordvorm | plaatsvinden |
| plaatsvindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | plaatsvinden |
| plaatsvond | subordinate-clause, verleden tijd | plaatsvinden |
| plaatsvonden | subordinate-clause, verleden tijd | plaatsvinden |
| vind plaats | gebiedende wijs | plaatsvinden |
| vinde plaats | woordvorm | plaatsvinden |
| vinden plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | plaatsvinden |
| vindt plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plaatsvinden |
| vond plaats | verleden tijd | plaatsvinden |
| vonden plaats | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plaatsvinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plaatsvinden zijn vastgelegd.