verbinden
werkwoord vərˈbɪndə(n)Betekenis
- twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
- met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
- onlosmakelijk met elkaar samengaand
- behandelen door het aanbrengen van verband
- zich ~ tot een dwingende verplichting aangaan
Hoe spreek je verbinden uit?
/vərˈbɪndən/
Verbinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verbinden
verbindenhele werkwoord — verbondverleden tijd enkelvoud — verbondenverleden tijd meervoud — verbondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbind | verbond |
| jij | verbindt | verbond |
| hij, zij, het | verbindt | verbond |
| wij | verbinden | verbonden |
| jullie | verbinden | verbonden |
| zij | verbinden | verbonden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbind | gebiedende wijs |
| verbind me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbind u/je , verbindt je | gebiedende wijs |
| verbinde | aanvoegende wijs |
| verbinde zich | aanvoegende wijs |
| verbinden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbinden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbinden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbindend | onvoltooid, deelwoord |
| verbindt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbindt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbindt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbindt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbindt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbindt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbond | verleden tijd |
| verbond je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbond u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbond zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbond zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden | verleden tijd, deelwoord |
| verbonden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbonden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbinden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verbinden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbinden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbindend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verbonden hebben | verleden tijd |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verbinden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbinden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Vervoeging van verbinden
verbindenhele werkwoord — verbondverleden tijd enkelvoud — verbondenverleden tijd meervoud — verbondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbind | verbond |
| jij | verbindt | verbond |
| hij, zij, het | verbindt | verbond |
| wij | verbinden | verbonden |
| jullie | verbinden | verbonden |
| zij | verbinden | verbonden |
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbind | gebiedende wijs |
| verbind me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbind u/je , verbindt je | gebiedende wijs |
| verbinde | aanvoegende wijs |
| verbinde zich | aanvoegende wijs |
| verbinden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbinden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbinden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbindend | onvoltooid, deelwoord |
| verbindt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbindt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbindt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbindt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbindt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbindt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbond | verleden tijd |
| verbond je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbond u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbond zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbond zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbond zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden | verleden tijd, deelwoord |
| verbonden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbonden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbinden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verbinden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbinden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbinden | canonical |
| zich verbindend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verbonden hebben | verleden tijd |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verbinden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbinden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
Herkomst
afgeleid van binden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbind | gebiedende wijs | verbinden |
| verbinde | aanvoegende wijs | verbinden |
| verbindt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbinden zijn vastgelegd.