bevinden
werkwoord bəˈvɪndə(n)Betekenis
- na waarneming tot de slotsom komen, constateren
- zich ~: op een bepaalde plaats zijn, aanwezig zijn, zich ophouden
- zich ~: in de genoemde toestand zijn b.v. zich voelen
Hoe spreek je bevinden uit?
/bəˈvɪndən/
Bevinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| v | vis |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bevinden
bevindenhele werkwoord — bevondverleden tijd enkelvoud — bevondenverleden tijd meervoud — bevondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bevind | bevond |
| jij | bevindt | bevond |
| hij, zij, het | bevindt | bevond |
| wij | bevinden | bevonden |
| jullie | bevinden | bevonden |
| zij | bevinden | bevonden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bevind | gebiedende wijs |
| bevind me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevind u/je , bevindt je | gebiedende wijs |
| bevinde | aanvoegende wijs |
| bevinde zich | aanvoegende wijs |
| bevinden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevinden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevinden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevindend | onvoltooid, deelwoord |
| bevindt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevindt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevindt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevindt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| bevindt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevindt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| bevond | verleden tijd |
| bevond je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevond me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevond u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevond u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevond zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| bevond zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| bevond zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevonden | verleden tijd, deelwoord |
| bevonden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevonden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevonden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| bevonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is bevonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bevonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bevonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bevonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bevonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bevonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bevonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bevonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bevinden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bevonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bevinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bevonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bevonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bevonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bevonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me bevinden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich bevinden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je bevinden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich bevindend | onvoltooid, deelwoord |
| zich bevonden hebben | verleden tijd |
| zijn bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bevonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bevinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
Afgeleid van vinden met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bevinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bevinde | aanvoegende wijs | bevinden |
| bevindend | onvoltooid deelwoord | bevinden |
| bevindende | woordvorm | bevinden |
| bevindt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bevinden |
| bevond | verleden tijd | bevinden |
| bevonden | voltooid deelwoord | bevinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bevinden zijn vastgelegd.