ontbinden
werkwoord ɔndˈbɪndə(n)Betekenis
- een organisatie opheffen
- het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
- het bepalen van de factoren waaruit een getal of uitdrukking is samengesteld
- het aan verrotting onderhevig zijn van een gestorven organisme
Hoe spreek je ontbinden uit?
/ɔndˈbɪndən/
Ontbinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| b | bak |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontbinden
ontbindenhele werkwoord — ontbondverleden tijd enkelvoud — ontbondenverleden tijd meervoud — ontbondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontbind | ontbond |
| jij | ontbindt | ontbond |
| hij, zij, het | ontbindt | ontbond |
| wij | ontbinden | ontbonden |
| jullie | ontbinden | ontbonden |
| zij | ontbinden | ontbonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontbonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontbonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontbonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontbonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontbonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontbonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontbonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontbind | gebiedende wijs |
| ontbinde | aanvoegende wijs |
| ontbindend | onvoltooid, deelwoord |
| ontbond | verleden tijd |
| ontbonden | verleden tijd, deelwoord |
| ontbonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontbonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontbonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontbonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontbonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontbonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontbonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ontbonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontbinden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontbonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontbonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontbonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontbonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontbonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontbonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontbonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontbinden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontbonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontbonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontbonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van binden met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontbind | gebiedende wijs | ontbinden |
| ontbinde | aanvoegende wijs | ontbinden |
| ontbindt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontbinden |
| ontbond | verleden tijd | ontbinden |
| ontbonden | voltooid deelwoord | ontbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbinden zijn vastgelegd.