Naar de inhoud

ontbinden

een organisatie opheffen

ontbinden

werkwoord ɔndˈbɪndə(n)

Betekenis

  1. een organisatie opheffen
  2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
  3. het bepalen van de factoren waaruit een getal of uitdrukking is samengesteld
  4. het aan verrotting onderhevig zijn van een gestorven organisme

Hoe spreek je ontbinden uit?

/ɔndˈbɪndən/

Ontbinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /ɔndˈbɪndən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
n nek
d dak
b bak
ɪ pit
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ontbinden

ontbindenhele werkwoord — ontbondverleden tijd enkelvoud — ontbondenverleden tijd meervoud — ontbondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontbind ontbond
jij ontbindt ontbond
hij, zij, het ontbindt ontbond
wij ontbinden ontbonden
jullie ontbinden ontbonden
zij ontbinden ontbonden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontbonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontbonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontbonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontbonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontbonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontbonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontbonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontbonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontbonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontbonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontbonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontbonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontbonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontbind gebiedende wijs
ontbinde aanvoegende wijs
ontbindend onvoltooid, deelwoord
ontbond verleden tijd
ontbonden verleden tijd, deelwoord
ontbonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontbonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontbonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontbonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontbonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontbonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontbonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontbonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben ontbonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontbinden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontbonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontbonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontbonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontbonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontbonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontbonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontbonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontbonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontbonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontbonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen ontbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult ontbinden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ontbonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontbonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontbonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van binden met het voorvoegsel ont-.

Woordfamilie van ontbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontbind gebiedende wijs ontbinden
ontbinde aanvoegende wijs ontbinden
ontbindt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontbinden
ontbond verleden tijd ontbinden
ontbonden voltooid deelwoord ontbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontbinden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ontbinden

Hoe spreek ik ontbinden uit?
Zo spreek je ontbinden uit: /ɔndˈbɪndə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van ontbinden?
Ontbinden is een werkwoord. De betekenis is: een organisatie opheffen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontbinden?
Zo vervoeg je ontbinden zo: de tegenwoordige tijd is ontbind, de verleden tijd is ontbond en het voltooid deelwoord is ontbonden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ontbinden?

Ontbinden rijmt op 12 woorden op -inden; vinden, verbinden en plaatsvinden bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ontbinden, uitspraak ɔndˈbɪndən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vinden 2
verbinden 3
plaatsvinden 3
binden 2
bevinden 3
winden 2
ondervinden 4
omwinden 3
verblinden 3
blinden 2
winterlinden 4
zwinden 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontbinden is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. I 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontbinden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. B 4
  5. I 2
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontbinden in het kort

ontbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontbinden staan er 74 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontbinden bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontbinden: een organisatie opheffen
Deel ontbinden — standaardnederlands.nl