roeren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
- een emotie in iemand oproepen
- zich ~: zich bewegen
- zich ~: in opstand komen
- zich ~: geluid (herrie) maken
werkwoord
- : zich ~: zich bewegen reflexive
- : zich ~: in opstand komen reflexive
- : zich ~: geluid (herrie) maken reflexive
Vervoeging van roeren
roerenhele werkwoord — roerdeverleden tijd enkelvoud — roerdenverleden tijd meervoud — geroerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roer | roerde |
| jij | roert | roerde |
| hij, zij, het | roert | roerde |
| wij | roeren | roerden |
| jullie | roeren | roerden |
| zij | roeren | roerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geroerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geroerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geroerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geroerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geroerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geroerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geroerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geroerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geroerd | verleden tijd, deelwoord |
| geroerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geroerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geroerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geroerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geroerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geroerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geroerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roer | gebiedende wijs |
| roer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| roer u/je , roert je | gebiedende wijs |
| roerde | verleden tijd |
| roerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| roerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| roerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| roerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| roerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| roerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| roerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| roerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| roerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| roerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| roere | aanvoegende wijs |
| roere zich | aanvoegende wijs |
| roeren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| roeren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| roeren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| roerend | onvoltooid, deelwoord |
| roert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| roert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| roert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| roert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| roert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| roert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben geroerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geroerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geroerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geroerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geroerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geroerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me roeren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal roeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich roeren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je roeren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geroerd hebben | verleden tijd |
| zich roerend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geroerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geroerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geroerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord roer
Herkomst
In de betekenis van ‘dooreenmengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van roeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geroerde | woordvorm | roeren |
| roerde | verleden tijd | roeren |
| roerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roeren |
| roere | aanvoegende wijs | roeren |
| roert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roeren zijn vastgelegd.