positie
zelfstandig naamwoord /po'zisi/Betekenis
- een stand van het lichaam
- een innerlijke houding
- een plaats van waaruit men iets onderneemt
- een toestand waarin iemand zich bevindt
- een vaste betrekking
- een maatschappelijke stand
- de ligging van de hand
- een opstelling van troepen en materieel
- plaats in een rij
- een punt in een n-dimensionale ruimte wat met coördinaten kan worden gekarakteriseerd (- locatie)
Hoe spreek je positie uit?
/poˈzisi/
Positie bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| o | boot |
| z | zon |
| i | riet |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een toestand waarin iets of iemand zich bevindt
- een punt in een n-dimensionale ruimte wat met coördinaten kan worden gekarakteriseerd (-> locatie)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| posities | meervoud |
| positietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| positietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1641
Woordfamilie van positie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| posities | meervoud | positie |
| positietje | verkleinwoord | positie |
| positietjes | verkleinwoord meervoud | positie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van positie zijn vastgelegd.