Naar de inhoud

bespringen

iets of iemand aanvallen door er op te springen

bespringen

werkwoord bəˈsprɪŋə(n)

Betekenis

  1. iets of iemand aanvallen door er op te springen

Hoe spreek je bespringen uit?

/bəˈsprɪŋən/

Bespringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /bəˈsprɪŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ə de
s sok
p pak
r rood
ɪ pit
ŋ ding
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. aanvallen door er op te springen transitive
  2. gretig benaderen voor seks transitive

Vervoeging van bespringen

bespringenhele werkwoord — besprongverleden tijd enkelvoud — besprongenverleden tijd meervoud — besprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bespring besprong
jij bespringt besprong
hij, zij, het bespringt besprong
wij bespringen besprongen
jullie bespringen besprongen
zij bespringen besprongen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bespring gebiedende wijs
bespringe aanvoegende wijs
bespringend onvoltooid, deelwoord
besprong verleden tijd
besprongen verleden tijd, deelwoord
besprongen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besprongen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
besprongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besprongen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
besprongen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
besprongen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besprongen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
besprongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
besprongen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
besprongen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
er is besprongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was besprongen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd besprongen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt besprongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal besprongen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal besprongen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou besprongen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou besprongen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had besprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had besprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden besprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden besprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bespringen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben besprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bespringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren besprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was besprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was besprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was besprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt besprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt besprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt besprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bespringen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt besprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt besprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bespringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bespringen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult besprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult besprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

van Middelnederlands bespringen, op te vatten als afgeleid van springen ww met het voorvoegsel be-

Woordfamilie van bespringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bespring gebiedende wijs bespringen
bespringe aanvoegende wijs bespringen
bespringend onvoltooid deelwoord bespringen
bespringende woordvorm bespringen
bespringt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bespringen
besprong verleden tijd bespringen
besprongen voltooid deelwoord bespringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bespringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over bespringen

Hoe spreek ik bespringen uit?
Zo spreek je bespringen uit: /bəˈsprɪŋə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van bespringen?
Bespringen is een werkwoord. De betekenis is: iets of iemand aanvallen door er op te springen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bespringen?
Zo vervoeg je bespringen zo: de tegenwoordige tijd is bespring, de verleden tijd is besprong en het voltooid deelwoord is besprongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op bespringen?

Bespringen rijmt op 57 woorden op -ingen; zingen, springen en dingen bijvoorbeeld. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op bespringen, uitspraak bəˈsprɪŋən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
zingen 2
springen 2
dingen 2
wringen 2
doordringen 3
verspringen 3
ringen 2
verdringen 3
voordringen 3
binnendringen 4
slootjespringen 4
pingen 2
aankomelingen 5
aanleveringen 5
aanmoedigingen 5
aantekeningen 5
aftekeningen 5
allriskverzekeringen 7
bergwandelingen 6
betegelingen 5
billijkheidsregelingen 7
boswandelingen 5
bungeespringen 4
diefstalbeveiligingen 7
eindreinigingen 5
gotelingen 4
kettingbedingen 5
klankveranderingen 6
kortgedingen 4
kwaliteitsverbeteringen 8
lachedingen 4
lunchvergaderingen 6
nulverzamelingen 6
omkringen 3
ompoolbeveiligingen 7
omwisselingen 5
ontvingen 3
overschakelingen 6
overspanningsbeveiligingen 9
privérekeningen 6
Nog 17 rijmwoorden
proefafleveringen 6
ruimtewandelingen 6
schadeafhandelingen 7
scheutelingen 4
schrijfoefeningen 5
sibbelingen 4
sijpelingen 4
stadswandelingen 5
strandwandelingen 5
verdingen 3
vervingen 3
verzusteringen 5
wandelverenigingen 7
wapenleveringen 6
woningbouwverenigingen 8
zondagsopeningen 6
zwingen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bespringen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. R 2
  6. I 1
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bespringen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. R 2
  6. I 2
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bespringen in het kort

bespringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bespringen staan er 74 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bespringen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bespringen: iets of iemand aanvallen door er op te springen
Deel bespringen — standaardnederlands.nl