springen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsprɪŋə(n)Betekenis
- na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken in een bepaalde richting
- na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
- traanvocht veroorzaken
- plotseling breken of uit elkaar barsten
Hoe spreek je springen uit?
/ˈsprɪŋən/
Springen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van springen
springenhele werkwoord — gesprongenvoltooid deelwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spring
Herkomst
In de betekenis van ‘zich in de lucht verheffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van springen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesprongen | voltooid deelwoord | springen |
| springe | woordvorm | springen |
| springt | woordvorm | springen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van springen zijn vastgelegd.