zingen
werkwoord ˈzɪŋə(n)Betekenis
- met de eigen stem als muziek laten horen
- kenmerkend geluid in een vloeistof die gaat koken, veroorzaakt door de opstijgende dampbelletjes
Hoe spreek je zingen uit?
/ˈzɪŋən/
Zingen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zingen
zingenhele werkwoord — zongverleden tijd enkelvoud — zongenverleden tijd meervoud — gezongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zing | zong |
| jij | zingt | zong |
| hij, zij, het | zingt | zong |
| wij | zingen | zongen |
| jullie | zingen | zongen |
| zij | zingen | zongen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezongen | verleden tijd, deelwoord |
| gezongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zingen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zing | gebiedende wijs |
| zinge | aanvoegende wijs |
| zingend | onvoltooid, deelwoord |
| zong | verleden tijd |
| zou gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zingen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zingen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands singhen van Oudnederlands singan, in de betekenis van ‘met de stem muziek voortbrengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van zingen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezongen | voltooid deelwoord | zingen |
| zing | gebiedende wijs | zingen |
| zinge | aanvoegende wijs | zingen |
| zingt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zingen |
| zong | verleden tijd | zingen |
| zongen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zingen |
| zongt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | zingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zingen zijn vastgelegd.