voordringen
werkwoord /ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/Betekenis
- een plaats vooraan in een rij bemachtigen waarop men geen recht heeft
Hoe spreek je voordringen uit?
/ˈvorˌdrɪŋən/
Voordringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van voordringen
voordringenhele werkwoord — drong voorverleden tijd enkelvoud — drongen voorverleden tijd meervoud — voorgedrongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dring voor | drong voor |
| jij | dringt voor | drong voor |
| hij, zij, het | dringt voor | drong voor |
| wij | dringen voor | drongen voor |
| jullie | dringen voor | drongen voor |
| zij | dringen voor | drongen voor |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dring voor | gebiedende wijs |
| drong voor | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voordringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te dringen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen dringen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult dringen | bijzin, toekomende tijd |
| voordring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voordringend | onvoltooid, deelwoord |
| voordringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voordrong | bijzin, verleden tijd |
| voordrongen | bijzin, verleden tijd |
| voorgedrongen | verleden tijd, deelwoord |
| voorgedrongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgedrongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voordringen | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voordringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voordringen voor zou(dt) dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voordringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voordringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgedrongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voordringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voordringen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voordringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voordringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voordringen voor zult/zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor bw en dringen ww
Woordfamilie van voordringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dring voor | gebiedende wijs | voordringen |
| dringe voor | woordvorm | voordringen |
| dringen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voordringen |
| dringt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voordringen |
| drong voor | verleden tijd | voordringen |
| drongen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voordringen |
| voordring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordringen |
| voordringe | with-subordinate-clause | voordringen |
| voordringend | onvoltooid deelwoord | voordringen |
| voordringende | woordvorm | voordringen |
| voordringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voordringen |
| voordrong | subordinate-clause, verleden tijd | voordringen |
| voordrongen | subordinate-clause, verleden tijd | voordringen |
| voorgedrongen | voltooid deelwoord | voordringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voordringen zijn vastgelegd.