anamnese
zelfstandig naamwoord ˌanɑmˈnezəBetekenis
- een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
- bij de socratische methode: het ‘zich herinneren’ van de vormen of ideeën der ideeënwereld in de werken van Plato
- in de Mis het deel van het Eucharistisch gebed waarin het lijden en sterven van Christus in herinnering gebracht wordt
- anamnese (ziektegeschiedenis)
- anamnese (Plato: herinneringen van de ziel aan vorige levens)
- anamnese (een deel van het Eucharistisch gebed)
- (retorica) de abrupte overgang naar iets wat schijnbaar vergeten was.
Hoe spreek je anamnese uit?
/ˌanɑmˈnezə/
Anamnese bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| e | veel |
| z | zon |
| ə | de |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| anamneses | meervoud |
| anamnesetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| anamnesetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘het terugroepen in de herinnering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van anamnese
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| anamneses | meervoud | anamnese |
| anamnesetje | verkleinwoord | anamnese |
| anamnesetjes | verkleinwoord meervoud | anamnese |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van anamnese zijn vastgelegd.