link
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord lɪŋkBetekenis
- gevaarlijk, riskant
- sluw
- een betrekking of relatie
- een verwijzing
Hoe spreek je link uit?
/lɪŋk/
Link bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van linken
- gebiedende wijs van linken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van linken
Vervoeging van link
linkhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘schakel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1974
Woordfamilie van link
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| linkere | verbogen vergrotende trap | link |
| linkje | woordvorm | link |
| linkjes | meervoud | link |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van link zijn vastgelegd.