zijpen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈzɛɪpə(n)/Betekenis
- druipen, druppelen
- druppelend ergens terechtkomen
Hoe spreek je zijpen uit?
/ˈzɛipən/
Zijpen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zijpen
zijpenhele werkwoord — zeepverleden tijd enkelvoud — zepenverleden tijd meervoud — gezepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zijp | zeep |
| jij | zijpt | zeep |
| hij, zij, het | zijpt | zeep |
| wij | zijpen | zepen |
| jullie | zijpen | zepen |
| zij | zijpen | zepen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezepen | verleden tijd, deelwoord |
| gezepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| siepen, sijpen | |
| te hebben gezepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeep | verleden tijd |
| zijp | gebiedende wijs |
| zijpe | aanvoegende wijs |
| zijpend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zijp
Herkomst
erfwoord: Middelnederlands sīpen, ontwikkeld uit Oergermaans *sīpan-, bij Indo-Europees *seib-, waartoe ook Oudgrieks eíbein ‘laten vloeien’ behoort. Evenals Nederduits siepen ‘sijpelen, druppelen’, Engels seep ‘sijpelen’ en Deens sive ‘langzaam vloeien of lekken’.
Woordfamilie van zijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezepen | voltooid deelwoord | zijpen |
| zijpend | onvoltooid deelwoord | zijpen |
| zijpende | woordvorm | zijpen |
| zijpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijpen zijn vastgelegd.