Naar de inhoud

siepelen

van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien

siepelen

werkwoord ˈsipələ(n)

Betekenis

  1. van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien

Hoe spreek je siepelen uit?

/ˈsipələn/

Siepelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsipələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
i riet
p pak
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van siepelen

siepelenhele werkwoord — siepeldeverleden tijd enkelvoud — siepeldenverleden tijd meervoud — gesiepeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik siepel siepelde
jij siepelt siepelde
hij, zij, het siepelt siepelde
wij siepelen siepelden
jullie siepelen siepelden
zij siepelen siepelden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
gesiepeld verleden tijd, deelwoord
gesiepeld te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesiepeld zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
siepel gebiedende wijs
siepelde verleden tijd
siepele aanvoegende wijs
siepelend onvoltooid, deelwoord
te siepelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gesiepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen siepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gesiepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesiepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gesiepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gesiepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gesiepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gesiepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gesiepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gesiepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gesiepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesiepeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt siepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen siepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesiepeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult siepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

frequentatief gevormd uit afgeleid van siepen met het achtervoegsel -el, vergelijk sijpelen

Woordfamilie van siepelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesiepeld voltooid deelwoord siepelen
gesiepelde woordvorm siepelen
siepel gebiedende wijs siepelen
siepelde verleden tijd siepelen
siepelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon siepelen
siepele aanvoegende wijs siepelen
siepelend onvoltooid deelwoord siepelen
siepelende woordvorm siepelen
siepelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon siepelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van siepelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over siepelen

Hoe spreek ik siepelen uit?
Zo spreek je siepelen uit: /ˈsipələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van siepelen?
Siepelen is een werkwoord. De betekenis is: van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien.
Hoe vervoeg ik siepelen?
Zo vervoeg je siepelen zo: de tegenwoordige tijd is siepel, de verleden tijd is siepelde en het voltooid deelwoord is gesiepeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord siepelen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. I 1
  3. E 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

siepelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. I 2
  3. E 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

siepelen in het kort

siepelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van siepelen staan er 33 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort siepelen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

siepelen: van water, bloed e.d. geleidelijk doordringen, langzaam vloeien
Deel siepelen — standaardnederlands.nl