sijpelen
werkwoordBetekenis
- een proces waarbij een vloeistof zich door de kieren en poriën van een vaste massa heen begeeft
Vervoeging van sijpelen
sijpelenhele werkwoord — sijpeldeverleden tijd enkelvoud — sijpeldenverleden tijd meervoud — gesijpeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sijpel | sijpelde |
| jij | sijpelt | sijpelde |
| hij, zij, het | sijpelt | sijpelde |
| wij | sijpelen | sijpelden |
| jullie | sijpelen | sijpelden |
| zij | sijpelen | sijpelden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesijpeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesijpeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesijpeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesijpeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesijpeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesijpeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesijpeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesijpeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sijpel | gebiedende wijs |
| sijpelde | verleden tijd |
| sijpele | aanvoegende wijs |
| sijpelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesijpeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijpelen | |
| zou gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesijpeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesijpeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘onmerkbaar doorlekken’ voor het eerst aangetroffen in 1653
Woordfamilie van sijpelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesijpeld | voltooid deelwoord | sijpelen |
| gesijpelde | woordvorm | sijpelen |
| sijpel | gebiedende wijs | sijpelen |
| sijpelde | verleden tijd | sijpelen |
| sijpelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sijpelen |
| sijpele | aanvoegende wijs | sijpelen |
| sijpelend | onvoltooid deelwoord | sijpelen |
| sijpelende | woordvorm | sijpelen |
| sijpelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sijpelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sijpelen zijn vastgelegd.