zijpoort
zelfstandig naamwoord ˈzɛiportBetekenis
- toegang tot een gebouw of terrein aan de linker- of rechterkant daarvan, vaak als aanvulling op de hoofdingang
Hoe spreek je zijpoort uit?
/ˈzɛiport/
Zijpoort bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| p | pak |
| o | boot |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zijpoorten | meervoud |
| zijpoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zijpoortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zij zn en poort zn
Woordfamilie van zijpoort
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zijpoorten | meervoud | zijpoort |
| zijpoortje | verkleinwoord | zijpoort |
| zijpoortjes | verkleinwoord meervoud | zijpoort |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijpoort zijn vastgelegd.