zijpelen
werkwoordBetekenis
- een proces waarbij een vloeistof zich door de kieren en poriën van een vaste massa heen begeeft
Vervoeging van zijpelen
zijpelenhele werkwoord — zijpeldeverleden tijd enkelvoud — zijpeldenverleden tijd meervoud — gezijpeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zijpel | zijpelde |
| jij | zijpelt | zijpelde |
| hij, zij, het | zijpelt | zijpelde |
| wij | zijpelen | zijpelden |
| jullie | zijpelen | zijpelden |
| zij | zijpelen | zijpelden |
Alle 57 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezijpeld | verleden tijd, deelwoord |
| gezijpeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezijpeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sijpelen | |
| te zijn gezijpeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezijpeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezijpeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezijpeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezijpeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezijpeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezijpeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijpel | gebiedende wijs |
| zijpelde | verleden tijd |
| zijpele | aanvoegende wijs |
| zijpelend | onvoltooid, deelwoord |
| zijt gezijpeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezijpeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zijpelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezijpeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zijpelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit zijpen of sijpen met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van zijpelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezijpeld | voltooid deelwoord | zijpelen |
| gezijpelde | woordvorm | zijpelen |
| zijpel | gebiedende wijs | zijpelen |
| zijpelde | verleden tijd | zijpelen |
| zijpelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zijpelen |
| zijpele | aanvoegende wijs | zijpelen |
| zijpelend | onvoltooid deelwoord | zijpelen |
| zijpelende | woordvorm | zijpelen |
| zijpelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zijpelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijpelen zijn vastgelegd.